Is specialisatie op gebied van infrastructuur nou slim of niet?
Ja hoor! Snel. Tjemmig wat snel! Ik praat niet over de hoeveelheid
water dat een zwembad in Enschede in één nacht kwijtraakt, maar over
onze supercomputer. De BlueGene/L. Andermaal voert deze gigant de lijst
van snelste computers aan. Dat doet hij overigens al sinds 2004, en dat
is in de IT-wereld toch al weer een tijdje. Hij klokt 478 teraflops.
Dat betekent dat hij 478.000.000.000.000 berekeningen per seconde kan
maken. Ter vergelijk een systeem met een 3.6 GHz Pentium processor kan
maximaal 7,2 gigaflop halen: een factor 66390 keer trager. Maar die
vergelijking is niet helemaal eerlijk. Immers, in de BlueGene/L zitten
maar liefst 106496 processoren. Kleine, geoptimaliseerde processoren
die slechts op 700 Mhz draaien. Deze processoren zitten ook in auto’s
waar ze bijvoorbeeld het remsysteem besturen. Behalve dat BleuGene/L de
snelste computer is, is hij ook nog de zuinigste. Door hem nauwkeurig
af te regelen is zijn opgenomen vermogen per berekening het laagste van
alle supercomputers.
De BlueGene/L is een toonbeeld van wat er normaliter NIET gebeurd in de
IT: Specialisatie. Hij is gemaakt voor één specifieke taak. De
processoren, maar ook alle componenten er omheen, zijn ontworpen om zo
snel mogelijk te rekenen.
Dat brengt ons tot een interessante vraag. Moet men binnen de ICT standaardiseren of juist specialiseren?
Aan de ene kant kan je zeggen dat het slim is om zoveel mogelijk te
standaardiseren. Het is natuurlijk handig om een beperkt aantal type
servers in huis te hebben om zo de installaties, updates, beheer etc.
makkelijk en efficient uit te voeren.
Maar aan de andere kant zijn de processoren in de systemen verworden
tot rekenwonders die heel veel dingen moeten kunnen. En zoals bij alle
generalisten gaat dat ten koste van details. Het is onmogelijk om een
processor te maken die alle soorten rekenwerk even goed kan.
Verschillende applicaties hebben nu eenmaal verschillende
eigenschappen. Zo is een Java applicaties anders dan good-old Cobol wat
op zijn beurt weer totaal anders is dan wetenschappelijke applicaties
in C++ geprogrammeerd.
Om deze tegenstelling het hoofd te kunnen bieden heeft IBM het
BladeCenter ontworpen. Als ik een grove schatting mag maken, wordt de
BladeCenter voor 90% gebruikt voor consolidatie en virtualisatie.
Prima, niets mis mee. Maar bedenk dat het concept van de Blades verder
gaat dan een consolidatie-server. Hij is ontworpen om verschillende
workloads op verschillende processoren te laten landen, terwijl het
tóch gezien kan worden als één entiteit in de infrastructuur wat
installatie, onderhoud en beheer ten gunste komt. Er kunnen immers een
keur van processoren in het Bladecenter: Intel, AMD, POWER6, POWERPC960
en de Cell. Niemand, helemaal niemand kan ons dat nadoen. Evenmin als
de snelste computer bouwen.
Wees specifiek
- maandag 03 december 2007 09:34
- Frank van der Wal
